Has Vissers

De eerste indruk van de oorlog van Has Vissers gaat terug naar de begintijd van de oorlog. “Ik was er door mijn vader (Tonnie Vissers) op uit gestuurd om een schaap bij van Boxtel op de Goordonksedijk op te halen. Ik was al ter hoogte van Van de Crommert toen ik een hoop tumult hoorde. Het was een groep Duitsers die Mariaheide kwam verkennen. Ze zijn toen ook bij ons op de boerderij aan de Weijhoeve geweest. Op de landkaart werd bekeken hoe het gebied in en rondom Mariaheide eruit zag.”

Het dagelijkse leven

“Wij leden geen honger tijdens de oorlog. Op de boerderij was altijd voldoende te eten. We verbouwden gewassen en we hielden varkens en kippen voor het vlees. De paarden moesten wel altijd binnen blijven. Anders werden ze gevorderd door Duitsers. De distributiebonnen kwamen vooral goed van pas voor de rokers. Want ook sigaretten waren op de bon. In Veghel was er al meer tekort aan eten. Die mensen kwamen dan bij ons op de boerderij om eten vragen. Zo hebben we wel eens boter geruild tegen een regenjas. Het nieuws hoorden we via anderen, want we hadden geen radio.”

Dan herinnert Has zich nog een andere anekdote. Ondanks de extra moeite die ze ervoor moesten doen, ging hij op een avond met een paar kameraden op stap in Uden, in de hoop  leuke meisjes te ontmoeten. Dat heeft Has de schrik van zijn leven bezorgd. “In de oorlogstijd was er geen straatverlichting en was het dus pikdonker. Je zag geen hand voor ogen. Je moest voor de avond binnen zijn, de Duitsers hadden de avondklok ingevoerd. Als je er al op de fiets op uit ging moest je ervoor zorgen dat je niet gezien werd. Daarom was er achter het glas van de fietsverlichting een plaatje gezet waardoor er nog een minimaal streepje licht overbleef. Zo gingen we na een leuke avond stappen in Uden huiswaarts. Maar bij klooster van de ‘Ouwe Nonnen’ stonden een paar Duitsers op wacht. We kwamen er voorbij zonder problemen. Maar van de schrik joegen we zo hard richting Mariaheide dat we een paar fietsers die van de andere kant kwamen – ook nauwelijks verlicht – niet opmerkten en er in volle vaart tegenaan botsten. We stonden zo snel mogelijk weer op, keken niet op of om en zaten al snel weer op de fiets. De schrik zat er nog lange tijd goed in”.

Bommenwerper stort neer

Maar de meest indrukwekkende gebeurtenis die Has is bijgebleven voltrok zich in de nacht van 20 op 21 juli 1944. Rond 01.30 uur stortte aan de huidige Wethouder Donkersweg een Britse bommenwerper neer. Het vliegtuig was neergehaald door Duitse nachtjagers die opgesteld stonden op vliegbasis Volkel. De bommenwerper was een vier-motorige Lancaster van de RAF met acht bemanningsleden aan boord. Het toestel was één van de 147 vliegtuigen die op weg waren naar Duitsland om daar te bombarderen. Die nacht zijn twintig van deze Lancasters door de Duitsers neergehaald.

“Het vliegtuig was al een vleugel kwijt en kwam met een vreselijk geluid al tollend over onze boerderij , angstaanjagend. De cockpit kwam ook los en doorboorde onze boerderij, precies in de woonkamer. Kort daarna stortte het toestel neer in de steeg bij Jan Vissers. Het vuur was al snel zo groot dat de vlammen boven de bomen uit kwamen. Bij ons kwam iedereen er – op een paar kleine verwondingen van brokstukken na – ongedeerd vanaf. Dat was dankzij onze bezorgde moeder Vissers, die heel het gezin op tijd naar buiten had weten te loodsen.“

Van de bemanningsleden overleefden er maar twee de aanval.  De andere zes zijn later begraven op het oorlogskerkhof in Uden. Has vertelt dat twee van hen wekenlang in het roggeveld hebben gelegen voordat ze werden gevonden. Pas bij het oogsten werden de lichamen ontdekt. De Duitsers hebben die opgehaald. “Het was vreselijk hoe ze dat deden, ze staken en riek onder de lichamen en zo gooiden ze hen op de kar. We vroegen nog of we de gouden horloges die de mannen omhadden mochten bewaren, maar dat werd gezien als lijkroof dus dat mocht niet. Dat was jammer want na de oorlog hebben we nog contact gehad met de nabestaanden en die zouden erg blij geweest zijn met een aandenken. De Engelsen die nog in leven waren zijn goed thuis gekomen in hun geboorteland.”